Bijbelgedeelte

Mattheüs 4 vers 18-22

De eerste discipelen

18En Jezus liep langs de zee van Galilea en zag twee broers, namelijk Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, het net in de zee werpen, want zij waren vissers. 19En Hij zei tegen hen: Kom achter Mij aan, en Ik zal u vissers van mensen maken. 20Zij lieten meteen de netten achter en volgden Hem. 21Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen. 22Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem.

Mattheüs 13 vers 47-50

Het visnet

47Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een net, uitgeworpen in de zee, dat allerlei soorten vissen bijeenbrengt. 48Als het vol geworden is, trekken de vissers het op de oever. Ze gaan zitten en verzamelen de goede vissen in vaten, maar de slechte gooien zij weg. 49Zo zal het bij de voleinding van de wereld zijn: de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen, 50en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

Copyright ©2010/2016 Stichting HSV

Avonddienst 25 oktober 2026 - Ds. F. Wijnhorst - Mattheus 4 vers 18-22 - Mattheus 13 vers 47-50

Druk op afspelen om de opname te bekijken.